Doelen | De onderwijstaak | Integratie | Het kind
 
- techniek-  ondervijs
- curriculum
- direct-leren
- Beoordeling
- Literatuur




Hoofdstuk 2

 

De onderwijstaak

 

In dit gedeelte concentreren we ons op het aanleren van culturele kennis in het algemeen en techniek in het bijzonder. In beginsel zullen we spreken over de leerkracht en over haar taken bij het ondersteunen, organiseren sturen en evalueren van het leerproces.

 

  1. Het techniekonderwijs in het voorschoolse en basisonderwijs

 

Het eerste commentaar dat we zouden willen geven is, dat ons project zich richt op het voorschoolse en basisonderwijs, dat twee soorten leerkrachten omvat. In het algemeen zijn de opleidingen hiertoe verschillend: in sommige landen is zelfs hun professionele status verschillend.

 

Ofschoon de leerplannen voor het onderwijs aan de voorschoolse leerkracht een breed ontwikkelingsgebied bestrijken en niet rond bepaalde vakken (biologie, fysica) is georganiseerd, heeft ons project vakgebieden onderzocht, omdat ons doel is het verbeteren van het techniekonderwijs in het voorschoolse en basisonderwijs. Daarom is onze benadering onvermijdelijk een benadering gebaseerd op disciplines, zelfs als de schoolse context waar ons aanbod geïmplementeerd moeten worden, dat niet is. Als gevolg hiervan verwijzen we hier naar leerkrachten die verantwoordelijk zijn voor het techniekonderwijs, of ze nu specialisten zijn binnen het voorschoolse of binnen het basisonderwijs, ofschoon de taak eo ipso moeilijker zal zijn voor de voorschoolse leerkracht.

 

We zouden hier graag echter de betekenis van vakgerichte benadering op bepaalde maniereen willen nuanceren.  Jarenlang is er een debat geweest of kinderen culturele inhouden moeten worden aangeleerd, of dat het pure object van hun opvoeding al hun ontwikkeling is. Het debat is tamelijk abstract en smelt weg als de tijden veranderen en hun betekenis nader wordt onderzocht.

 

Eerstens, een vakgerichte benadering wordt vaak gerelateerd aan onderwijs dat patronen en gesloten structuren van vakken reproduceert. Dit is helemaal niet de betekenis die wij er aan deze benadering zouden willen geven; met vakgericht bedoelen we eenvoudigweg: “contextueel” en onze patronen zijn holistisch.

 

Ten tweede, ontwikkeling kan niet worden onderwezen; het kan alleen aangemoedigd worden door het onderwijs. Als het onderwijs goed ontworpen is en goed geïmplementeerd dan gaat leren beter en ontwikkeling is voller en meer evenwichtig. Echter onderwijs en leren zijn altijd contextueel. Het kind bijvoorbeeld leert de wereld te zien door te kijken naar overeenkomsten en verschillen in contexten,  of nu de betreffende vraag gaat over kleuren, geometrische vormen de structuur van een plant, het beeld in een spiegel of de oxidatie van ijzer. De situatie kan zo algemeen zijn als men wil, de manier waarop naar de situatie wordt gekeken, is veelvoudig maar het zicht erop is altijd contextueel.

 

En het is dit “binnen een context brengen” waaraan we refereren, als we spreken over een vakgerichte benadering: we willen leersituaties naar voren brengen waarnaar gekeken kan worden in termen van techniek.

 

1.1  Is het verstandig techniekonderwijs aan jonge kinderen aan te bieden?

Gegeven het feit dat we opvoeden om de individuele ontwikkeling te bevorderen en de integratie in de volwassenenwereld, hebben we techniekonderwijs nodig omdat techniek in het leven van volwassenen niet te ontkennen valt. Als het duidelijk is dat we het begrip van kinderen moeten ontwikkelen en activiteiten, vaardigheden in de context van de sociale relaties, waarom dan niet ook de natuurwetenschappelijke en technologische context?

Dewey (1897) gaf het antwoord al in zijn pedagogische credo:

“Als opvoeding leven is dan heeft al het levende een wetenschappelijk aspect, een aspect van kunst en cultuur en een aspect van communicatie. Het kan daarom niet waar zijn, dat de juiste vakken voor ’n klas louter lezen en schrijven zijn en dat in een hogere klas lezen of literatuur, of natuurwetenschappen, geïntroduceerd kunnen worden. De voortgang zit niet in de opeenvolging van de vakken  maar in de ontwikkeling van nieuwe houdingen ten opzichte van en nieuwe belangstelling voor ervaringen.” (1897)

 

Ook moeten we niet vergeten dat bij het voorschoolse onderwijs er al uitgebreide didactische ervaring is op het gebied van het natuurwetenschappelijke veld, dat langzamerhand met de jaren zich steeds verder uitbreidt.

 

Om kort te gaan, in dit gedeelte zullen we  de rol van de leerkracht bediscussiëren wanneer deze onderwijs geeft in het cultuurgoed, in  het bijzonder techniek. Echter de kenmerken, de vaardigheden en activiteiten van de leerkracht die we zullen bediscussiëren moeten passen bij het niveau van de kinderen. Deze aanpassing zal in detail worden bekeken bij het aanbod voor specifieke didactische eenheden.

 

1.2  De leerkracht en het ontwerpen van het leerplan.

 

Wanneer we spreken over het aanleren van het cultuurgoed dan impliceert dat automatisch dat er leerlingen zijn die bepaalde inhouden moeten leren en een leerkracht die verantwoordelijk is voor het toezien op de juiste ontwikkeling van dit leerproces.

 

Inderdaad, bij het aanleren van het cultuurgoed, worden het cultuurgoed, het kind en de leerkracht per traditie gezien als de drie polen, in wat bekend staat als de didactische driehoek.

 

 

Het cultuurgoed – techniek in ons geval – dat aangeleerd moet worden staat aan één kant van de driehoek. De leerinhoud is sociaal geconstrueerde kennis die op een bepaalde manier naar de wereld kijkt, deze interpreteert en waardeert.

Op een andere hoek staat het kind dat naar de wereld kijkt en het op zijn haar manier interpreteert. Het kind heeft zijn eigen interesses, vaak verschillend van de betrokkenheid van volwassenen en die kennis opbouwt door eigen cognitieve vaardigheden in een sociale omgeving die hem/haar conditioneert en stimuleert.   

De leerkracht die zijn professionele vaardigheden gebruikt om het leerproces van kinderen te faciliteren, staat op de derde hoek en is bepaald door de institutie en door zijn visie op techniek, onderwijs en het leerproces.

De drie hoeken zijn binnen de schoolomgeving onderling met elkaar verbonden en leiden tot didactische interventie, d.w.z. tot het ontwerpen en implementeren van het curriculum. Het curriculum moet begrepen worden als de complexiteit van onderwijs- en leeractiviteiten die op school plaatsvinden.

 

Kort gezegd, het onderwijskundig raamwerk waarbinnen de leerkracht zijn didactische rol speelt, verloopt als volgt:

 

De maatschappij bepaalt dat om competent te zijn in de wereld van de volwassenen kinderen uitgerust moeten worden met bepaalde culturele kennis (techniek, in os geval), dat hen de sleutels geeft voor het begrijpen en handelen in de wereld.

 

Dit echter is niet eenvoudig en kinderen moeten ondersteuning krijgen, omdat zij bepaald worden door bepaalde sociale en psychologische factoren. In het beste geval, zelfs als een kind fantastische cognitieve vaardigheden en een fantastische wil heeft om te leren, dan nog zijn er de eigen interesses en eigen manieren om de wereld te begrijpen, die vaak botsen met wat de maatschappij heeft bepaald dat ze moeten leren.

 

Binnen de schoolomgeving, hebben leerkrachten de verantwoordelijkheid kinderen te helpen bij het proces van integratie in de culturele wereld van de volwassenen. Om dit te kunnen doen, moeten ze de kennis gebruiken van psychologen, pedagogen en andere onderwijsprofessionals teneinde het cultuurgoed (techniek in ons geval) óm te vormen en om leeractiviteiten aan te bieden die geschikt zijn  voor de fase van ontwikkeling van dit kind (Arcà e.a..,1990)

 

Binnen dit onderwijskundige raamwerk, zijn er drie verschillende maar onderling gerelateerde rollen te onderscheiden die de leerkracht moet aanvaarden:

-          selecteur en aanpasser van inhouden en ontwerper van onderwijs en leeractiviteiten;

-          aanstuurder van activiteiten en

-          beoordelaar van het onderwijs en leerproces.

 

To the top