Laatste ontwikkelingen in het onderzoek
betreffende techniekonderwijs aan jonge kinderen in Duitsland
Inhoudsopgave
I.
De politieke discussie in Duitsland over
onderwijs
II.
Ontwikkelingspsychologische,
cognitief-psychologische en neuropsychologische voorwaarden voor de introductie
van wetenschappelijke verschijnselen in de kleuterleeftijd
III.
Wat heeft leren te maken met sexe?
IV.
Techniekonderwijs aan jonge kinderen met audiovisuele middelen:
televisie, radio, cassettes, computerspelletjes, internet.
V.
Mogelijkheden voor een
methodologisch-didactische vertaling van wetenschappelijke en technische
onderwerpen in de praktijk.
I. De politieke discussie in Duitsland over
onderwijs
De publicatie van de PISA studie in 2001 heeft
aangetoond dat de prestaties en kennis op het wetenschappelijk-technisch
terrein grote behoefte heeft aan ondersteuning ook in de technisch hoog
ontwikkelde landen van Europa.
In de afgelopen maanden hebben vragen over de
redenen waarom zulke algemeen slechte
prestaties van Duitse teenagers, geleid tot de volgende discussie:
-
Hoe kunnen kinderen kennis en
vaardigheden leren gebruiken binnen toegepaste en praktijkgerichte situaties?
-
Hoe kunnen we een betere leercultuur
ontwikkelen?
-
Hoe kunnen we leerstrategieën verbeteren?
-
Hoe kunnen we een beter gebruik maken van
de cognitieve vensters van kinderen?
Terwijl in de meeste landen het voorschoolse
onderwijs een onderwijskunde voorziening is verantwoordelijk voor de zorg,
opvoeding en onderwijs van kinderen, is de situatie in Duitsland verschillend.
Hier bestaan instellingen waar ouders hun kinderen toestaan zoveel mogelijk
jaren te laten verblijven, zodat ze de hele dag kunnen spelen. Duitsland heeft
gefaald en faalt nog steeds als het gaat om het aan moedigen van voorlopers van
het schoolse leren in kinderdagverblijven. Ofschoon deze instellingen in
toenemende mate betrokken worden bij de politiek-onderwijskundige discussie,
zijn leerkrachten in het voorschoolse onderwijs vaak sceptisch over het vak
leren en al helemaal over technisch onderwijs. Zij vergelijken het met
prestatiedruk en overmatige eisen aan kinderen. Ze zijn snel met te spreken
over over-institutionalisering en betreuren het verlies van de kindertijd in
het algemeen.
Het basisonderwijs moet zich bewust zijn dat
er zogenaamde cognitieve vensters bestaan in de kinderlijke ontwikkeling
tussen vijf en zeven jaar. Gedurende deze periodes kunnen kinderen
veelomvattend en op een speelse wijze kennis verwerven. Het is de beste tijd
voor het verwerven van het accent en de basisgrammatica van een tweede taal,
voor ruimtelijke ordening en voor elementair mathematisch denken. Ondanks deze
overbekende feiten is er bijna geen concept voor het aanmoedigen van
voorschools onderwijs in Duitsland.
Benaderingen die zich richten op het creëren
van onderwijskundige kansen in kinderdagverblijven, die ook wetenschappelijke
en technische aspecten omvatten , bestaan niettemin al enige tijd. Het eerste
onderzoek werd uitgevoerd door Gisela Lück (hoogleraar didactiek van het chemie
onderwijs aan de Universiteit van Bielefeld.) op kleuterscholen en door Elsbeth
Stern die op het niveau van het basisonderwijs werkte. Beide hebben aangetoond
dat kinderen natuurwetenschappelijke wetten veel eerder begrijpen, dan we
hadden aangenomen.
II. Ontwikkelingspsychologische ,
cognitief-psychologische en neuropsychologische voorwaarden voor de introductie
van wetenschappelijke verschijnselen in de kleuterleeftijd
De cruciale vraag is, of het mogelijk en
zinnig is kinderen in de voorschoolse leeftijd ervaringen van wetenschappelijke
verschijnselen mee te geven en of en hoe het zinvol is om onderwijs in de
natuurwetenschappen in kinderdagverblijven te geven.
Lange tijd geleden ontdekte de
ontwikkelingspsychologie (Piaget, Erikson, Lück etc.) het bestaan van de
cognitieve vensters of gevoelige perioden in de vroege kindertijd. Deze
vensters bieden de beste tijd voor het verwerven van een tweede taal,
ruimtelijk oriëntatie en elementair mathematisch denken. Informatie wordt veel
sneller en effectiever opgenomen dan in latere fasen van de kindertijd.
Het realiseren van voorzieningen voor wetenschappelijke ervaringen die mogelijk
en betekenisvol zijn, wordt door steeds meer onderzoekers ondersteund.. Zij
wijzen op de vroege interesse van kleuters in wetenschappelijke verschijnselen
en ondersteunen een aan de leeftijd aangepaste toegang tot de wetenschappen.
Kinderen willen blijkbaar leerprocessen die
eisen stellen en veelomvattend zijn
waarbij het verstand, de psyche en het lichaam gelijk zijn betrokken. Leren
wordt duurzaam als de inhoud van de experimenten komt uit de onmiddellijke
ervaringsruimte van kinderen, in verschillende contexten voorkomt, een beroep doet op zoveel mogelijk zintuigen
en door de kinderen zelf kan worden gehanteerd. Leersituaties met een positieve
atmosfeer, waarbij de kinderen ook geprezen worden zorgen voor een bijkomende
motivatie. Bovenal moet de invloed van sociale rolmodellen zoals ouders en
leraren in de voorschoolse en basisschool-leeftijd niet onderschat worden. De
manier waarop zij bepaalde intereses uitstralen, hoe ze deze met liefde met de
kinderen delen en hoe ze door gebruik van hun lichaam variëren, hebben allemaal
een cruciale invloed op het leren van het kind.
III.Wat heeft leren te maken met sexe?
Meisjes en jongens gedragen zich verschillend,
hebben een verschillende opstelling, houding en benaderingen. De opstelling
tegenover speciaal gedrag en vaardigheden zijn mogelijk biologisch beïnvloed en
geslachtsspecifieke rolverwachtingen zijn door socialisatie verkregen.
In veel culturen heeft een polarisatie tussen
de sexen plaats gehad. Het leidt tot geslachts-specifieke beroepskeuzen en voor
kansen die zelfs heden ten dage het voor meisjes en vrouwen moeilijk maken om
gelijke toegang te hebben tot bepaalde beroepsterreinen. Dit is ten dele waar
voor het gebied van de natuurwetenschappen, maar zeker waar voor alle beroepen
die met techniek te maken hebben.
In 1999 heeft de Europese Unie gezorgd, dat
gelijke behandeling een politiek principe zou worden. Deze richtlijnen zorgen
ervoor dat het binnen alle maatregelen van de EU en haar leden een bindend
principe is en dat naar het mogelijke effect op beide sexen gekeken moet
worden. Maatregelen worden alleen uitgevoerd als zij aan beide sexen gelijke
kansen bieden.
Om dit principe in praktijk te brengen binnen
techniekonderwijs aan jonge kinderen
moeten we de effecten van beslissingen voor beide sexen op voorhand
bekijken . Voor ieder nieuw project, voor nieuwe spel- en leeractiviteiten die
worden opgezet en ook in alledaagse situaties binnen de kinderdagverblijven,
moeten we onszelf afvragen:
-
Zijn er mogelijkheden voor jongens en
meisjes om deel te nemen?
-
Zijn er barrières met betrekking tot
activiteiten, ruimte, of tijd die te maken hebben met het geslacht van de
kinderen.
-
Is het noodzakelijk speciale sterkten of
zwakheden of speciale denkstructuren in ogenschouw te nemen in bepaalde leer of
speelsituaties?
-
Is het noodzakelijk om m.n. meisjes
speciaal te motiveren en aan te moedigen op het gebied van techniek?
-
Is het zinvol de organisatie van het
experimenteren en constructietaken speciaal op maat te maken voor de
respectievelijke interessen van de beide geslachten.?
-
Is het af en toe zinvol alleen met aparte
groepen jongens of meisjes te werken?
IV
Techniekonderwijs aan jonge kinderen met audiovisuele middelen:
televisie, radio, cassettes, computerspelletjes , internet
Kinderen op de leeftijd van vier tot zes jaar
hebben al een uitgesproken interesse in wetenschappelijke en technische feiten.
Dit is duidelijk af te leiden uit het feit dat de media schoolkinderen en
voorschoolse kinderen voorzien van een brede variëteit aan wetenschappelijke en
technische inhouden. In het Duitse onderwijssysteem worden de wetenschappen
alleen systematisch aangeleerd in het voortgezet onderwijs. Dat wil dus zeggen,
dat de media al ver voor ons formele onderwijssysteem begint, de belangstelling
van kinderen voor de natuurwetenschappen hebben verkregen.
Drie tot negenjarige televisiekijkers zien tv
als een medium voor ontspanning en in aanvulling daarop als een bron van
informatie over wetenschappelijke vragen. Programmas die wetenschappelijke
inhouden aanbieden bestrijken een breed spectrum. De meest succesvolle kinderprogrammas waarin techniek of
onderwerpen van niet-bewegende aard voorkomen, zijn: Die Sendung mit der
Maus(de uitzending met d muis), Löwenzahn (Dandelion) en Seamstraat.
De auditieve media (radio zowel als opgeslagen
geluidsmedia) hebben ook de taak op zich genomen om te voorzien in technisch
wetenschappelijke inhouden. Jonge kinderen waarderen auditieve media meer dan
oudere kinderen en hebben al erg vroeg toegang tot cassettes: al 70% van de
vierjarigen zijn bekend met de respectievelijke apparaten. De massamarkt voor
cassettes voor kinderen is bovenal commercieel georiënteerd en daarom
beschrijven mediacritici frequent de producties als geluids rommel , omdat ze
gewoonlijk onderwerpen uitbuiten die al succesvol gebleken zijn in andere
media.
Naast televisie en cassettes, zijn computers
een integraal deel geworden van de ervaringswereld van voorschoolse en
basisschoolkinderen. Er zijn ontelbare spelletjes en leerprogrammas die
aangepast zijn aan de verschillende leeftijdsgroepen en de verschillende
ontwikkelingsstadia. Voor voorschoolse en basisschoolkinderen bestaat er al een
groot aantal computerspelletjes, die al met schaamteloze interesse door
driejarigen gebruikt worden. CD-Roms brengen op een speelse wijze technisch
wetenschappelijk kennis naar kinderen van 4 jaar of ouder en stellen hen in
staat om interactief informatie te verwerven over verschillende onderwerpen van
bewegende maar ook niet bewegende natuur (zoals aarde, water, lucht) of om
bestaande kennis te testen.
Kinderen staan ook op het punt het internet te
veroveren. Op dit ogenblik zijn er zon honderd websites die zich speciaal op
kinderen richten. Zoekmachines en portals die speciaal zijn opgezet voor
kinderen bieden de mogelijkheid aan om informatie over
technisch-wetenschappelijke inhouden te komen.
V. Mogelijkheden voor een
methodologisch-didactische vertaling van wetenschappelijke en technische
onderwerpen in de praktijk.
Het zal nu duidelijk zijn, dat een vroeg
contact met technische en wetenschappelijke onderwerpen belangrijk is voor de
verdere ontwikkeling van het kind. Aan de ene kant, bestaat er een enorme
hoeveelheid boeken over dit onderwerp en deze bevatten talloze interessante
experimenten. Aan de andere kant zijn de verwijzingen naar systematische
research of mogelijkheden voor een methodologisch-didactische aanpak in de
sociaal-onderwijkundige praktijk schaars. We hebben onderzoekswerk gevonden bij
Gisela Glück met betrekking tot het onderwijs in de natuurwetenschappen bij
jonge kinderen (vooral chemie). Verdere aanbevelingen betreffende de
methodologishe-didactische vertaling naar de praktijk, speciaal fysiologische
experimenten kunnen gevonden worden bij Mireille Hibon en Elizabeth
Niggemeyer. Mogelijke ideeën voor het gebruik van computers in het voorschoolse
onderwijs en de kinderopvang worden aangeboden in het project-rapport van de
School voor Sociale Pedagogiek in Lüdinghausen
(Richard von Weizsäcker Berufskolleg).
Richard-von-Weizsäcker-Berufskolleg
Auf der Geest 2
59348 Lüdinghausen
rvw-bk-lh@kreis-coesfeld.de