Catalonië | Duitsland | Portugal | Nederland | Samenvatting
 
I. hoofdstuk




SAMENVATTING

 

Als men de stand van het onderzoek met betrekking tot het “techniekonderwijs voor jonge kinderen” in de aan het project deelnemende landen (Duitsland, Nederland, Portugal, Spanje) vergelijkt, dan ziet men snel dat in alle landen techniekonderwijs voor jonge kinderen in de zin van de volgende definitie:

 

“Techniekonderwijs voor jonge kinderen maakt kinderen gevoelig voor wetenschappelijke en technische verschijnselen. Het schept mogelijkheden voor ontwikkeling en ondersteuning bij de kinderlijke belangstelling  voor en begrip voor de basisprincipes van wetenschap en techniek door ervaringen en verdere mogelijkheden aan te moedigen. Het is ontworpen voor de leeftijdscategorieën 3 tot 10 voor beide seksen en vindt plaats in de context van de sociale, culturele en emotionele wereld van kinderen. Het houdt rekening met de variëteit van onderwijsconcepten, processen, materialen en methoden.”  

 

nauwelijks een rol speelt binnen het voorschoolse en basisonderwijs of al helemaal niet aan de orde is. Alleen op het subterrein van ICT zijn er in alle landen op zich zelf staande projecten die deze leeftijdsgroep hebben proberen te bedienen.

 

Meisjes en vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in technische beroepen, cursussen en trainingsprogramma’s. De instituten van de deelnemende landen proberen wegen te vinden om deze tekortkomingen in balans te brengen, door aandacht te vragen voor geslachtsspecifieke zaken in het voorschoolse en basisonderwijs. Om dit doel te bereiken is het in de ogen van de deelnemende partners een absolute noodzaak dit principe in de opleidingen voor het voorschoolse en basisonderwijs op te nemen en, wat meer is, om de – voornamelijk vrouwelijke – leerkrachten die al op dit terrein werken voor te bereiden en gevoelig te maken.       

 

In alle deelnemende landen bestaan leerplannen voor het basisonderwijs waarin wetenschappelijk-technische onderwerpen – soms niet meer dan een eerste begin – staan vermeld. Spanje en Nederland hebben curricula voor het voorschoolse onderwijs cq de onderbouw van het basisonderwijs, maar deze verwaarlozen wetenschappelijke onderwerpen. In Portugal echter, bevat het onderwijsprogramma het gebied “wereld-kennis “, dat inhouden omvat uit de fysica en chemie (licht, water, lucht etc) zowel als biologie. Het doel ervan is een eerste kennismaking met mogelijke wetenschappelijke methoden en om bij kinderen een houding aan te kweken voor technisch-experimentele verschijnselen. In Duitsland is een algemeen onderwijskundige missie voor het voorschoolse onderijs in de wet opgenomen, maar worden er geen concrete leerplannen gebruikt voor de realisatie ervan.

 

Analyse van de huidige stand van zaken toont een duidelijk negeren aan van “techniekonderwijs voor jonge kinderen”, m.n. op het terrein van het voorschoolse onderwijs c.q. de onderbouw van het basisonderwijs – met uitzondering van Portugal -.

Hieruit volgt de noodzaak voor de deelnemende partners om een onderwijskundig-didactisch concept voor dit onderwerp te ontwikkelen (zie hoofdstuk 2 van dit handboek), dat rekening houdt met de benaderingen die al bestaan in Portugal en die op de lange duur kunnen leiden tot een geschikt curriculum in andere individuele landen.

 

Dit project gaat ook over zeer uiteen lopende onderwijskundige voorzieningen, met verschillende onderwijstradities. Zo werd het in de loop van het project nodig, eens te worden over hoekstenen van een Europees onderwijskundig-didactisch te ontwikkelen concept oer de grenzen van landen en instituties heen en het eens te worden over de psychologisch-onderwijskundige visie op het kind en de taken van het onderwijs.

 

Terwijl pedagogen in Nederland een voornamelijk constructivistische en ontwikkelingsgerichte benadering hanteren, leiden de institutionele en onderwijskundige voorwaarden in Spanje en Portugal tot een primair projectgerichte, onderzoeks-ontwikkelingsgerichte benadering. Gedurende de laatste tientallen jaren is het Duitse voorschoolse onderwijs gevormd door de “situatiegerichte“ benadering . Deze benadering  neemt belangrijke situaties voor het kind, zogenaamde “kernstituaties” als beginpunt en ontleent daaraan leerinhouden en methoden. De analyse van gewone van algemene interessen en verschillen zal leiden tot innovaties in discatisch-methodologisch werk in de individuele landen. Deze innovaties zullen plaatsvinden door de benaderingen van elkaar over te nemen en ze te testen en te evalueren op het eigen werkterrein evenals op de regionale praktjjkplaatsen.

 

Ook u als persoon, geïnteresseerd in dit gebied, wordt van harte uitgenodigd de concepten, projecten, methoden en materialen die op de volgende pagina’s worden gepubliceerd, in de praktijk te testen en daar verslag van te doen in onze chatroom.